Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

appels, die aan een tak waren gegroeid; en dat waren ze ook. want ze waren tweelingen, en wie niet wist, dat Lientje niet Mientje was, en Mientje niet Lientje, die werd van zijn levensdagen niet uit baar wijs, want op haar gezicht stond haar naam niet geschreven, en als moeder Lientje niet heel spoedig een bont lint aan den arm had gegeven, zouden er rampzalige lotsverwisselingen zijn voorgekomen; en vader Jochem Nüszler, het het zich ook thans nog niet afstrijden: Lientje was eigenlijk Mientje en Mientje Lientje; ze waren in het begin verruild. Daarvoor was op het oogenblik evenwel geen gevaar meer, want moeder had Lientje nu een blauw lint aan de staartjes van haar vlechtjes gebonden, en Mientje een rood; en wanneer iemand er acht op had willen slaan, zou hij hebben kunnen zien. dat Jochem Nüszler ongelijk had, want Lientje was een half uur ouder dan Mientje; en schoon 't onderscheid heel gering was, het eerstgeboorterecht openbaarde zich toch, en Lientje speelde al danig den baas over.Mientje; maar ze troostte kleine zus ook, als ze verdriet had. Behalve dit kleine onnoozele en onervaren tweelingspaar, was er nog een tweelingspaar in de kamer, maar een oud. ervaren, zeer bedachtzaam paar, dat daar van de latafel naar beneden op de kleine kinderen neerzag en in den tocht, die door 't open venster binnenstroomde, de hoofden aanhoudend heen en weer schudde; dat was grootvader z'n pruik en grootmoeder d'r f eestmuts, die op een mutsebol gereed stonden, om morgen, als 't Zondag was, weer eens in alle staatsie te pronken. — „Kijk, Lientje". zei Mientje; „daa staat gootvade z'n puik" — de r kon ze nog niet goed uitspreken. - „Je zegt altij puik. je moet puik zeggen" (zie blz. 50 n» 1) zei Lientje — want zij kon met de r al evenmin terecht; maar ze was immers de oudste en moest kleine zus toch een beetje op den goeden weg helpen.

Ondertusschen was het kleine tweelingspaar opgestaan en stond vóór de latafel en keek het oude tweelingspaar op den mutsebol aan, en Mientje, die nog zeer onnadenkend was. reikte naar den pruikebol, haalde grootvader z'n pruik er af, zette ze met een gezicht als „zie je me wel?" op 't hoofd, ging voor den spiegel staan en deed net als grootvader deed, wanneer 't Zondag was. Nu had Lientje wijzer moeten zijn en haar verstand gebruiken, maar Lientje begon te lachen en het zich door de vroolijkheid aansteken en nam grootmoeders muts van den anderen bol en deed ook juist zoo als grootmoeder deed, wanneer 't Zondag was; nu lachte Mientje. en toen lachten ze allebei en hielden mekaar vast en dansten: Ei, 't was in de Mei 1 en heten elkaar dan weer los en lachten opnieuw, doch pakten mekaar al gauw weer vast om opnieuw te gaan dansen. — Maar Mientje was toch wel wat heel onnadenkend geweest; want ze had haar bloempotje in de hand gehouden, en toen de pret nu goed aan den gang was, het ze — klets 1 — den pot op den grond vallen, en de pot was stuk, en toen was de pret uit — Nu begon Mientje jammerlijk te huilen over haar pot en Lientje huilde ook als een kleine wolf mee; maar als dat geschrei nu een tijdje geduurd had begon Lientje zus te troosten: „Wees maa zoet Mientje 1 de timmeman zal dé

221

Sluiten