Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouw van vijfentwintig jaar, vol levenslust in gelaat en voorkomen, de wangen rood van gezondheid en arbeid en zomerwarmte, haar oogen helder, en het voorhoofd "wit als sneeuw, zoo ver tenminste de strooien hoed de zon had afgeweerd. Op 'teerste gezicht moest ieder dadelijk de gelijkenis opvallen tusschen haar en Haverman; maar de gelaatstrekken, die bij hem allemaal naar binnen keken, zagen bij haar frisch en vroolijk de wereld in, en haar geheele wezen scheen te zeggen, dat zij van nature even werkzaam moest zijn, als hij uit eer en plicht Haar broer zien en op hem los vliegen, was 't zelfde: „Karei, mijn" Karei-broer, mijn andere vader!" riep zij-en hing hem aan den hals; maar toen ze hem nauwkeurig bekeek, ging ze een eindje achteruit: „Er is je wat gebeurd, er is je wat ergs overkomen! — Wat is het?" Maar eer hij antwoord kon geven, kwam haar man binnen, jochem Nüszler, en ging op Haverman toe. gaf hem de hand en zei langzaam als de dure tijd: „Goeien dag, zwagerman, ga een beetje zitten". — „Laat hem toch eerst vertellen, wat er gebeurd is", riep zijn vrouw ongeduldig. — „Ja", zei Jochem, „ga eerst zitten en vertel dan! — Goeien dag ook, Brasig, neem ook een stoel en ga zitten, Brasig". „Lieve hemel!" riep de vrouw des huizes, „ik vergeet alles 1 — Brasig, daar had je toch aan kunnen denken. Jullie hebt denkelijk nog geen nat of droog gehad!" en vlug liep ze naar het blauwe hoekkastje en haalde er prachtig, eigengebakken witbrood en versche boter uit en liep naar den kelder en bracht metworst en ham mee, alsook een paar flesschen van het krachtige bier, dat voor grootvader apart werd gebrouwen, en een kan melk voor de kleinen. Toen alles netjes en wel op de tafel stond, trok zij haar broer naar de tafel toe en beurde den stoel met het deerntje op en schoof dien ook kort bij. en sneed brood en schonk in, en dat ging allemaal zoo vlug met hand en voet, en zoo handig met mond en spraak, dat ging zoo blinkend en blank met mes en vork, met gelaat en oog, en zoo helder en wit met schort en tafellaken, als van ganscher harte! — „Jullie krijgt straks ook wat", zei ze tot haar kleine appeltjes en streek ze over de vlaskopjes, „eerst komt kleine zusje. — Brasig ga tóch zitten. — Jochem, kom toch ook aan tafel". — „Ja. as 't dan mot", zd Jochem, deed een laatsten, langzamen haal uit zijn pijp en schoof den stoel bij met hemzelf. — „Lieve hemel", riep de jonge vrouw, en een zekere angst vloog haar over het mooie gezicht, „ik vergeet van daag ook alles. — Als grootvader en grootmoeder dit te weten komen, dat wij hier samen het avondeten gebruiken, zonder dat zij er bij zijn, worden ze van hun levensdagen niet weer goed op me. — Kinderfjes, schikt een eindje op! — Jij hadt daar ook wel eens aan kunnen denken, Jochem". — „Ja, wat zal ik daaran döón", zd Jochem, toen zij de kamer al uit was.

Hd duurde ook niet lang. of de beide ouden kwamen op muilen achter haar de kamer binnenstrompelen. Op de gezichten van beiden lag een sloerige strakheid en een onbestemde opmerkzaamheid, zooals heden aannemen die vrij hardhoorend zijn, welke uitdrukking zoo licht in die van domheid en wantrouwen overgaat

224

Sluiten