Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^||fc£WBe)to wordt beweerd, dat echtelieden, die lang met elkaar geleefd, en steeds hetzelfde gedacht, voor 't zelfde gewerkt hebben, ten laatste veel op elkaar gaan gelijken ; en wanneer dat ook niet altijd van de snit der gezichten geldt, is het toch waar voor de uitdrukking der gelaatstrekken. Allebei zagen ze er zuur uit, zooals lieden, die zich van hun levensdagen geen vreugde en genoegen hadden 'gegund, allebei zagen ze er in de kleeren schabberig en slordig uit, alsof zij nog altijd moesten sparen en zich bekrimpen, en alsof het water geld kostte. Haverman was opgestaan en gaf den beiden ouden de hand, en zijn zuster stond er bij en keek hun angstig naar de oogen, om te zien, wat ze wel van het bezoek zouden zeggen. De reden van de komst haars broers bad zij hun al vooraf meegedeeld, en daarvan kwam 't misschien wel, dat de gezichten der beiden ouden er nog zuurder uitzagen dan gewoonlijk; 't kon evenwel ook van het avondeten komen, dat zoo rijkelijk was opgedlschi — De ouden gingen aan tafel zitten. — De oude vrouw kreeg Haverman z'n kleine deerntje in 't oog: „Is dat Va*hem?" vroeg ze. — De jonge vrouw knikte van ja. — „Blijft dat hier Jf vroeg ze weer. — De jonge vrouw knikte weer. *»»„Zooo !" zei de ouwe en rekte het woord lang uit. De ouwe vrouw was ondertusschen wat gaan gebruiken, maar keek aanhoudend over de tafel heen naar de latafel. De jonge vrouw, die de manier van doen der ouwebehoorlijk moest hebben bestudeerd, volgde haar blikken en werd tot haar schrik gewaar dat de muts van den standaard verdwenen was; mijn Godl waar was de muts gebleven? Zelf had zij ze 'smorgens gestreken en op den mutsebol gehangen.

— „Waar is mijn muts voor morgen?" vroeg de oude vrouw eindelijk.

— „Weesnmaar gerust moedertje," riep de jonge vrouw en boog zich tot haar over, „ik zal ze u strakjes brengen." — „Is ze al gestreken?" — De jonge vrouw knikte en dacht denkelijk, dat grootmoeder nu wel tevreden zou zijn; maar de ouwe oogen flankeerden nog doller in de kamer rond. Den heer entspekter Brasig schoten al zijn zonden te binnen, toen de muts ter sprake kwam. en hij keek ook een paar maal om, waar het gedrocht toch wel gebleven mocht zijn, maar 't duurde niet lang, of daar schoot over 't gezicht der oude vrouw een bitter-zoete venijnige grijnstrek, en ze zag er uit als een oud-bakken kadetje, dat in vergiftige stroop is gedoopt om er de vliegen mee te vergeven. — „Daar. zij moet ze misschien nog beter strijken ?" zei ze en wees op Haverman z'n kleine Louise. — „Hemel wat is dat?" riep de jonge vfoW-1 en vloog op. en zag dadelijk een eind mutsenband onder het kind d'r jurkje heenkijken. Zij beurde het kind op en wilde de muts wegnemen: maar de oude was haar te vlug^fciSnel trok ze hötf'geruineerde tooisel naar zich toe en toen ze de losgeschoten schutfipnBrafigs half ingeregen touw firZlen kreeg, brak het gif bij haar dooien zij hield haar muts in de hoogte: „Akelig kind!" riep ze uit en maakte een beweging, alsof ze het meisje met de muts om de ooren wou stóm. Maar Brösig greep haar bij den arm en rfëpTV.Kan het kind dat hejpen V en bij zich zelf bromde«j?}le8we draak I" En achter grbtStmoedera'T8del begon

De Roman van et» kleuter. 15.

225

Sluiten