Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een groot gehuil, en Mientje huilde en riep: „Niet weê doen! Niet weê doen! — „Lieve Hemel", riep de jonge vrouw, „dat hebben de beide kinderen gedaan. Moeder, onze eigen kinderen hebben het gedaan!" Maar de oude had levenslang veels te goed van de gelegenheid weten te profiteer en, dan dat ze op haar ouden dag geen voordeel zou trekken van haar doofheid: wat zeniet hooren wilde, hoorde ze niet, en dat wilde ze niet hooren. Ze riep en wenkte haar man: , „Kom mee 1" „Houdt maar op met huilen,' jullie heve kleine wurmen", zei de moeder en droogde haar beide kleine deerntjes de tranen af: Jullie kunt het niet helpen, jullie bent nog veel te onnoozeL En weest nu maar gauw zoet en gaat met kleine zusje spelen; ik moet weg, Jochem, Zie een beetje naar de kinderen", en meteen zette ze den strooien hoed op en ging naar den regel„Ja, wat zal ik daaran döön?" zei Jochem, toen hij al van het erf af was. Uit de „Olie Kamillen" :-: :-: vrij naar de vertaling van G. Velderman.

ANNI'S TAAL :-: :-: :-. Geen dichter schiep ooit zoeter taal, Geen schrijver maakt zulke zinnetjes. Als gij, bruin wicht, klein ideaal Van al uw moeders vriendinnetjes!

Wie, drommel, leerde u toch zoo hef En geestig uw woordjes schikken. Te snappen zoo onnavolgbaar naïef. Met mondje en handjes en blikken?

Ik heb beproefd te schrijven als gij O schalkje! gewoon rijt te spreken. Beproefd in proza en poëzij —> Mijn povere kunst is gebleken!

Uw stemmetje khnkt zoo bhj, zoo zoet; De woordekens buitien en trippen. Vol geur en kleur en toon en gloed, U van de rozenlippen.

Dus koosden wis in 't paradijs De reine kinderzielen, Op vrome kunstelooze wijs — Eer ze in de geleerdheid vervielen!

Gij kunt me zoo zonder grammatica,

Verbuigen en vervoegen,

>: :-: door P. A. de Genestet. Dat ik betooverd te luisteren sta. Schier met jaloersch genoegen.

Wie leerde u dat? Dat leerd' u voorwaar Geen kitt'lig taalgeleerde. Geen preeker of geen redenaar, Wien Siegenbeek bekeerde!

O, 'k bid voor u, dat ge immermeer Moogt praten zoo natuurhjk. Een kind van onzen heven Heer, Nooit deftig of figuurlijk.

Dat ge immer op uw schalke tong, Als thans, uw hartje moogt dragen. Een hartje, zoo rein, zoo frisch, zoo jong. Schoon — met wat minder vragen!

Dat uit uw kinderlijk gemoed. Zoo geestig en lieftallig, Uw taaltje vloeie steeds zoo zoet. Eenvoudig, oprecht en bevallig!

Dat God u beware voor ons valsch. Ons afgesproken taaltje. Ook voor den Delftschen tongval —■ als Voor 't Rott erdamsche haaltje!

226

Sluiten