Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dergezegde. Daa chaat bood ope (Daar gaat het brood open). (Fig. 32.) Daa is een aanwijzend hondje. Chaa is de geit. Bood is voorlooper. En opa dartelt boven op chaa, houdt bood bij de hand, en stuurt hem voort.

15. Intransitieve ^uist üetzel^e hebben we nu in de intransitieve zoogescheidbare werk- naamdc scheidbare werkwoorden. Da koet a man an woorden. (Daar komt een man aan). Andere voorbeelden zijn:

Vada ga ja mee ? Moena, mag boekja an ? (Moeder, mag het broekje **an?). Boor kattiet opa (Het brood kan niet open). Map; Keesja niet in (in den tuin van den buurman namelijk). Deura moete efa toe (De deuren moeten even toe). Koet reech uit, kom reedt uit (er komt regen uit. zegt hij van de spons, als er druppeltjes uit vallen). Zie voor andere voorbeelden in de groote-menschentaal de oefening op blz. 167.

16. Samengetrok- Ten slotte komen in dezen tijd ook de eerste samenken zinnen. getrokken zinnen voor. waar de gezegdes van zinnen

met hetzelfde onderwerp, eenvoudig nevenschikkend aan elkaar geregen zijn: Het b(l)oe is weg, 't is na huis gagaan, bootampja gaan eta met suika. De sneeuw is weg, is bootampja gaan eta, koesja mek gaan dinka. Eens wordt het bovengezegde + voorwerp met een paar verdere losse voorwerpen op eene lijn gesteld: 'kWiw tandapoessa, poeia ook, watar ook (Ik wil m'n tanden poetsen, en ik wil tandenpoeier ook, en water ook).

OEFENING. *icn de2e voorbeelden dat Keesje nu de weglating van ' ga- bij het verleden deelwoord van gaan, reeds keurig in acht neemt Maar Iet er nu ook eens op, naar welke van de twee werkwoorden de keus tusschen hebben en zijn luistert. In ze zijn wezen kijken luistert het blijkbaar naar het eerste w.w. wezen (of geweest), want kijken heeft hebben: we hebben gekeken. Zoo ook In: Hij is blijven staan (Hij & gebleven, maar Hij heeft gestaan). Hij is gaan mopperen (Hij is gegaan, maar Hij heeft gemopperd). Maar als het eerste werkwoord een modaal hulpwerkwoord is. schijnt het tweede hoofdwerkwoord den doorslag te geven. Want we zeggen toch naast elkaar: Hij heeft het niet willen zeggen (Hij heeft het gezegd) en Hij is niet willen komen (Hij is met gekomen). Het heeft met mogen baten (Het heeft niet gebaat) en Het is mèniet mogen gelukken (Het is niet gelukt). Hij heeft moeten bekennen en Hij is moeten vluchten. Ik heb je niet eer kunnen schrijven en Ik ben met klaar kunnen komen. De modale hulpwerkwoorden schijnen hier dus al bijna niet meer afzonderlijk gevoeld te worden.

lj^J^haak^^ De uit&adingen>van h*t gezegde zijn dus al veel mtroepzmnetjes. kunstiger dan die van het onderwerp, maar het voorwerp spant de kroon. Hier toch groeien de uitgebreide zinnen langzamerhand tot samengestelde zinnen uit Allerlei zinnetjes toch kunnen nu samen voorwerp worden in een nieuwen zin. 1°. De uitroe^nenzonder werkwoord : Kipciiatmiat a mensa. Kijk is moeda, wat an mucha. iS

237

Sluiten