Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

konstateerende weer in één adem: Moeda. zarje nou niet chaan schrei», zinnen. 35 3£ efa voech cha? Wat is hier gebeurd? Keesjes be-

wustzijnswereld is zienderoogen aldoor grooter geworden. Op dat breede veld hebben zich twee betrekkelijk groote groepen gevormd, en nu loopt de tweede jongensgroep in eens met een dol vaartje de eerste groep te lijf, en springt er pardoes in de lucht boven op! zonder dat er noemenswaardige ongelukken te betreuren vallen. Fig. 45, 46 en 47. Op dat mysterieuze binnenplaatsje van Keesjes verbeelding lukt eenvoudig van alles. En dat is nu de onderschikking van heele zinnen. Den eersten zin of onderzin noemt men gewooolijk hoofdzin, den tweeden of bovenzin noemt men meestal bijzin. Aanvankelijk staat dus de bijzin, als latere toevoeging, altijd achterop. Dat dit niet eeuwig zoo blijven zal, en waarom, zullen we pas in het volgend deeltje kunnen verklaren.

31 Het voea- Maar op één, of eigenlijk twee samenhangende eigenwoord al*T aardigheden moet ik nog wijzen. Ten eerste verschijnt

in al deze eerste aanvullingen en bijzinnen van Keesje: het voegwoordje a, as. als, dat wij op blz. 213 nr. 27 reeds als een voegwoord van vergelijking hebben leeren kennen. En waarlijk geen wonder! Juist als hij vroeger met zwart as een git, ook in t vage een nadere aanvulling van zwart had bedoeld, zoo bedoelde hij hier met a Keesja chapa heeft: een nadere aanvulling van tats in da tuin. 't Spreekt dus vanzelf, dat ook hier datzelfde woordje loskwam. Dit waren echter allemaal nevenschikkingen. In de eerste onderschikking van konstateerende zinnen echter gebruikt bij nu weer hetzelfde voegwoord. Is dat nu ineens van beteekenis veranderd en tot een teeken der onderschikking geworden ? Welnee. Die verandering begint bier, en zal, langzaam maar zeker, worden voltrokken, dank zij een nieuwe analogie door die en dat (zie nr. 26) gebaand. Waaruit blijkt dan echter dat we bier met een grammatische onderschikking te doen hebben?

32 De inkla ^at DMjkt uit de inklampende woordschikking, en dat der bijzinnen. 's ^e twccde eigenaardigheid, waarop ik nog wijzen

moest. Juist als in nr. 24 de jongens van de groepen 't is droog en 't is niet waar, om bij den sprong op het gezegde z'n rug, niet uit elkaar te vallen, het bovengezegde tusschen onderwerp en ondergezegde hadden vastgeklampt, zoodat ze at dooch is, en at nie waar is klonken; zoo hebben ook hier de leden der groep: ak cha efa wech, vóór den reuzensprong, hun maatregelen moeten nemen, om niet van elkaar los te duikelen, en hebben weer hetzelfde kunstje der inklamping toegepast. Onderwerp en ondergezegde hebben elkaar het stevigste vast. Het bijwoord efa en het bovengezegde wech worden tusschen de twee sterkste in genomen, en nu brengen ze er heelgroeps den sprong af en het zinnetje klinkt nu: as ak efa wech cha.

252

Sluiten