Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dekking der substantieven. 21 Het substantief-tijdperk. 22 We hebben soms maar één woord voor heel veel dingen. 23 De ontdekking der soortnamen. 24 De overgang van grijpbeweging in aanwijzing. 25 Ontdekking: der aanwijzende voornaamwoorden. 26 Gevoel en verstand. LOOPEN 1 M :-: :-: jJ door G. Jonckbloet 43 MOEDERKE ALLEEN :-: :.: :,: door René de Clercq 44 MORGENSTOND IN DE KINDERKAMER :-: door Stijn Streuvels 44 AAN HANSJE EN FRANSJE .-: :-: :-: door Willem Kloos 49 f^ECAAIEN-DEUNTJE « •-■ door E. T. Potgieter 49

HOOFDSTUK IV. DE STAMELENDE DREUMES. . . 50 1 Het oor is den mond altijd voor. 2 De ladder waarlangs de mond het oor naklimt. 3 Woorden van sport: ta, taai, tiaai. 4 Woorden van sport: ara, tatta, tatta, tat. Open en gesloten silben. 5 Woorden van sport: tap, tate, taat. Soorten van klinkers. 6 Woorden van sport: taap, tas, taas. 7 Woorden van sport: tatapa taspa, taspapa. 8 Moeilijke medeklinkers. 9 Moeilijke klinkers. 10 Indeehng der Nederlandsche taalklanken. OEFENING.

PSAMMETICHUS :-: :-: 0j :-: door P. H. van Moerkerken 57 ?55?°°ZELE KINDEREN :-: :-: door Joost van den Vondel 61 ASTYANAX :-: M :-: :-: :-: door Homéros 61 yO^REENBOOS JONGETJE :-: door Albertine Smulders

HOOFDSTUK V. HET DOORPRATEN 64

1 Tot nog toe niets dan zinnetjes van één woord. 2 Het verstaan van constructies, en de perioden waarin ze rijp worden. 3 De eerste constructie. 4 De enkelvoudige zin. Onderwerp en gezegde. 5 De eerste nominale zinnen. 6 De beteekenis van een zin. 7 De beteekenis van een zelfstandig naamwoord. 8 De kettingen der zinwoorden. 9 De beteekenis van den pronominalen zin. 10 De beteekenis van den nominalen zin. 11 De eerste Genitief-constructies. OEFENING. 12 Verbuigings- en vervoegingsuitgangen. 13 Sommige woorden komen eer verbogen dan onverbogen voor. 14 De verkleiningsuitgangen bij soortnamen. 15 De verkleiningsMtgangen. 16 De Infinitieven ouder dan de persoonsvormen, soms jonger. 17 Wederkeerige toenadering. 18 In de verbaalzinnen zijn onderwerp tn voorwerp nog niet onderscheiden. 19 De aard der werkwoorden 20 Het werkwoordstijdperk. 21 Aktief en passief bij den Infinitief nog niet Dnderscheiden. 22 Ook bij ons nog niet in de „beknopte zinnen". 23 Onderscheid tusschen Infinitief en persoonsvorm. 24 Ui troepzinnetjes. 25 De voordschikldng in de uitroepszinnen. 26 Aktief en passief nog één, ook ii den persoonsvorm. OEFENING. 27 Onderscheid tusschen substanïeven en werkwoorden. 28 De ontdekking van het voorwerp. 29Gramnatische onderschikking. 30 Voorwerp en bepaling van een Infinitief nog tiet gescheiden. 31 Roepnaam wordt onderwerp. 32 Zinnen bestaande

261

Sluiten