Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I De uitspraak bijna heelemaal gedachteloos aangeleerd. 2 De dubbele medeklinkers. 3 De silbeberg. 4 De fijne s op het eind der silben. 5 Langzame daling gemakkelijker dan langzame stijging. ' De breedere en de fijnere s. 7 De klankzones op den silbeberg. 8 De neusklank- en glijderverbindingen. 9 De moeilijke r. 10 De r-verhinding in de silbedaling.

II De r-verbinding in de si 1 bestijging. 12 De moeilijke h. 13 De drievoudige w. OEFENING. 14 De 1, een laatkomertje. groeit voorspoedig. 15 Concurrentie tusschen de 1 en de w. 16 L-verbindingen in de silbendahng. OEFENING. 17 L-verbindingen in de silbestijging. OEFENING. 18 Drie medeklinkers in de subedaling. 19 Drie medeklinkers in de silbestijging. 20 Die moeihjke zachte glijders. 21 Het grillige huigje. 22 Voorsilben zonder nadruk. OEFENING. 23 Middensilben. OEFENING. 24 Eindsilben. OEFENING. 25 Aantrekkingskracht van de accentsilbe. OEFENING. 26 De neiging: hou wat je hebt. 27 Nieuwe praatspelletjes. 28 Silbe-verdubbelingen. 29 De koppige vasthoudend-

J^VM9an9- OEFENING. 30 De neiging tot afwisseling. Snl^ I?™ 31 Iust tot voorbarigheidin de silbebestijging.OEFENING. 32 De voorbarigheid in de subedaling. OEFENING. 1 en 2 33 Gedeeltelijke voorbarigheid. OEFENING. 34 Voorbarigheid en koppigheid tegelijk. 35 Voorbarige klinkers. OEFENING 1 en 2. 36 Rekkina en verscherping. OEFENING.

DE GROOTE HOND EN DE KLEINE KAT :-: door Alb. Verwey 218 ™^E'J;IENTJE EN MIENTIE :-: :-: door Fritz Reuter 218 ANNI STAAL. :-; :-: >: :_: door P. A. de Genestet* 226 HOOFDSTUK XI. HALSBREKENDE TOEREN 227 1 De kindergroepjes leeren dezelfde kunstjes, die vroeger een kindalleen uithaalde. 2 De vier hoofddeelen van een enkelvoudigen zin. 3 Geen ellipsen. 4 Twee kinderen spelen samen. 5 Samen onderwerp spelen 6 bamen gezegde spelen. 7 Eerst maken ze ruzie. Dan worden ze 't samen eens. 8 Het eigenaardig wezen der onderschikking. 9 De infinitief ais rijder. 10 Is een werkwoordsvorm. 11 Verleden deelwoord als rijder. 12 tweeslachtigheid van de koppelwerkwoorden. OEFENING 13 Aanvullingen van den rijder. OEFENING. 14 Bijwoorden als rijder. 15 obp^mS ,?|idbarf ^woorden. 16 Samengetrokken zinnen. OEFENING. 17 Af hankelijke uitroepzinnetjes. 18 Beknopte voorwerpszinnen. 19 De eerste uitvoerige afhankelijke vraagzinnen. 20 Transitieve scheidbare werkwoorden. 21 Zoogenaamde bepalingen van gesteldneid. II Konstateerende voorwerpszinnen met inklamping. 23 Scheidbare werkwoorden met hulpwerkwoorden. 24 Passief met modaal hulpwerk-

nFR^n2^r^t^tó,^nd^ inklamPin9- 26 De relatieve zin. UEEENING. 27 De bijvoeghjke bnzinnen ontstaan uit latere aanvullingen. 28 Ze ontstaan dus pas. sinds Keesje z'n best doet nauwkeurig

265

Sluiten