Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25

Artikel 30. (8, 4e lid).

1. Iemand, die niet aan de vereischten van het voorgaande artikel voldoet, kan onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten tot voorzitter worden benoemd, mits hij de overige vereischtén bezit.

2. Deze goeólkeuring is niet vereischt, indien de leden van het bestuur door den Koning worden benoemd.

Hoe de goedkeuring van Gedeputeerde Staten gevraagd moet worden, is geregeld in art. 57.

EERSTE LID.

Van de beslissing van Gedeputeerde Staten staat beroep op de Kroon open naar de regels van § 9 en art. 26 der wet van 10 November 1900, St.bl. 176.

Artikel 31. (9).

1. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad mag niet bestaan tusschen de leden van het bestuur onderling, noch tusschen den voorzitter en den penningmeester.

2. Bij gehjktijdige benoeming van bestuursleden, tusschen wie bloedverwantschap of zwagerschap in één dier beide graden bestaat, wordt alleen de oudste in leeftijd voor benoemd gehouden. Bij gelijken leeftijd beslist het lot.

3. Zwagerschap, na de benoeming ontstaande, is geen reden tot aftreding; hij, door wiens huwelijk de zwagerschap is ontstaan, is niet herbenoembaar.

4. Zwagerschap houdt op reden van uitsluiting te zijn door ontbinding van het huwelijk, waardoor zij is ontstaan. *

5. Echtgenooten mogen niet zijn leden van hetzelfde bestuur, noch voorzitter en penningmeester van denzelfden polder. Bij gehjktijdige benoeming van echtgenooten tot bestuurslid is het tweede hd van toepassing. Een na de benoeming aangegaan huwehjk tusschen bestuursleden is geen reden tot aftreding; de jongste in leeftijd is niet herbenoembaar; bij gelijken leeftijd beslist het-lot.

Sluiten