Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 6 —

naar avonturen verlangd en al wat hij had medegemaakt in zijn leven, had hem van dit verlangen nog niet genezen.

„Ik zal eens rondkijken en eens vragen om geschikte kerels, kerels van sta-vast, voor de reis te vinden en u doet hetzelfde", zeide de kapitein, ()en morgen ontmoeten we elkander weder."

Toen namen de beide mannen afscheid.

De kapitein drentelde langs de Boompjes weder naar het centrum van Rotterdam. Hij was in gedachten verzonken, wetende, welke moeilijkheden' hem nog wachtten. Vertrouwde menschen moest hij hebben, voornamelijk voor de functie van stuurman en eerste machinist, maar waar die nu in enkele dagen vandaan te halen? En er moest toch haast gemaakt worden, want elke dag vertraging in dien tijd van het jaar gaf meer kans op stormen en daar was zoo'n klein scheepje toch niet op gebouwd.

Zoo mijmerend liep kapitein Boersma op het Beursplein plotseling iemand tegen het lijf.

„Kijk potdorie uit je doppen," hoorde hij den ander boos zeggen, maar toen ineens klonk er een hartelijk: „Hallo, kappie, hoe kom jij zoo in eens uit de lucht vallen?"

Toen kapitein Boersma, opgeschrikt uit zijn mijmeringen .opkeek, zag hij een bekend gezicht voor zich. Ja, dat was zijn brave makker, de eerste machinist Monté, een kerel met een Franschen naam, maar van kop tot teen een Hollandsche zeeman, met wien hij in den verren Oost menig reisje had gemaakt.

Hij was van zijn verbazing nog niet bekomen, toen de ander al weder begon: „Maar kappie, zeg me nou toch eens, hoe kom jij nou in 's hemels naam hier op

Sluiten