Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 8 —

„En wat doe je nou, meester?" vroeg kapitein Boersma, die plotseling een idee kreeg.

„Wat ik nou doe? Wel! Rondloopen en verder niks. Wat zal ik je zeggen? Om naar Indië terug te gaan, daar heb ik geen zin méér in. De wilde vrachtvaart, dan zoo een paar jaar weg blijven, daar begin ik ook niet meer aan op mijn leeftijd. Ik ben nou vijf-en-vijf tig jaar, zie je, en op de vaste lijnen hebben ze hun vast personeel. En zoo loop ik nou, een waterrot op het land."

„En geef je nou het zeevaren er aan?"-' vroeg de kapitein.

„Neen, dat nou niet. Zie je, als ik nog eens een schip kon krijgen zoo voor een korte reis, nou, dan zou ik er nog eens over denken. Maar weer voor jaren weg, nee, dat doe ik nou niet meer op mijn leeftijd".

Kapitein Boersma sloeg met zijn vlakke hand meester Monté op den schouder, dat deze er van schokte en zeide: „Nou, dan heb ik misschien iets goeds voor je. Een korte reis, maar waar iets aan zit. En een mooie reis. Kom mee, dan zal ik het je vertellen".

Even later zaten de beide zeelui in het Poolsche koffiehuis aan een tafeltje zacht te fluisteren. De kapitein vertelde alles van de aanstaande reis van de „Holland". Hij verzweeg niets van de moeiten en gevaren, aan de reis verbonden en meester Monté luisterde met aandacht, maar hoe langer de kapitein vertelde, hoe meer zijn gezicht'opklaarde en toen de kapitein alles medegedeeld had, wat hij te zeggen had, keek de machinist hem eens aan en knikte. „Je kunt op me rekenen, hoor", zei hij. „Ik ga mee. Dat is een reisje, dat me aanstaat en die gevaren, nou ja, daar moet je nooit al te bang, voor wezen. Dat zal wel terechtkomen. Ik

Sluiten