Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 14 —

wollen das, sloffen en de hemel weet wat meer.

„Maar oom", vroeg Frits, „heb u dit nu allemaal noodig?"'

De oom lachte eens. „Ja, wat dacht je dan. Meende je soms, dat als de veter van je schoen springt of je verliest een knoop van je ondergoed, dat je dan een haven kan binnenloopen om de zaak weer in orde te maken? En dacht je soms, dat je op zee schoenpoetsers tegenkomt met al wat noodig is om je schoenen een toonbaar uiterlijk te geven? Neen, vooral op zoo'n klein bootje als waarmede ik nu zal uitvarèn, moet ik zelf voor alles zorgen".

„Is het dan zóó klein ,oom?"

„Wacht maar, je zult het straks zien. Groot is het zeker niet".

Oom en neef gingen eerst in een restaurant iets eten. De besteller met den wagen, welke nu al vol lag met groote en kleine pakjes, reed door naar de scheepswerf te Delftshaven, waar kapitein Boersma en zijn neef met de tram zouden heengaan.

Toen Frits en zijn oom tegen drie uur aan de werf kwamen, zocht Frits dadelijk naar het zeeschip, waarover zijn oom het bevel zou voeren, maar hij zag niets. Er waren niet anders dan enkele kleine schepen, sommige op de helling, de andere liggend tegen den wal van het terrein der werf.

„Waar is het nu, oom?" vroeg Frits.

„Wel, daar! dat moet het wezen", zeide kapitein Boersma en hij wees op een sleepbootje, van welks dek de eerste machinist en de stuurman hem reeds toewuifden.

„Dat?" vroeg Frits met onverholen verbazing. „Móet u daarmede over zee?"

Sluiten