Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 24 —

Frits aan den eersten machinist, dien hij een echt aardigen en gemoedelijken kerel vond.

„Dat zou ik denken," luidde het antwoord, „Ik ben al in alle deelen der wereld geweest en in alle gekleurde zeeën."

„Gekleurde zeeën? Wat zijn dat?" vroeg Frits.

„Wel de Gele en de Zwarte en de Roode en de Witte Zee zou ik denken. Wist je dat nog niet?"

„O, bedoelt u het zoo?" zei Frits lachend en toen vertelde de eerste machinist hem van enkele zijner reizen, van Egypte en Japan, van de Stille Zuidzee en den Atlantischen Oceaan en terwijl Frits luisterde, kreeg hij hoe langer hoe meer spijt, dat hij de aanstaande geheimzinnige reis van de kleine, sterke „Holland" niet mede kon maken.

Toen in den namiddag de „Holland" aan de werf te Delftshaven was teruggekeerd, werd door den reeder de boot overgenomen van den directeur van de scheepswerf.

Het schip had uitstekend voldaan. De machines werkten prachtig. „Daar ontbreekt nu letterlijk niets aan," zeide de eerste machinist.

Hoe de „Holland" zich op zee zou houden, vooral bij rauw weer, dat kon natuurlijk niemand zeggen en zou eerst later moeten blijken.

„Als je een nieuw schip krijgt, is het net zoo als wanneer je een hond koopt," merkte de stuurman op. „Het beestje kan er nog zoo lief uit zien, eerst later merk je, wat je er aan hebt."

Aan de werf waren intusschen nog heel wat zaken voor de „Holland" aangekomen. Er waren busjes verduurzaamde levensmiddelen, worst, bier en ook enkele andere dingen, o.a. een chronometer, een zeer-

Sluiten