Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 29 —

Frits wakker, doordat er met geweld op de deur van zijn slaapkamer gebonkt werd.

„Kom eruit," hoorde hij de stem van zijn oom. „We moeten met den trein van half acht al naar Rotterdam. Er is wat bijzonders gebeurd."

Al weer wat bijzonders? Elk oogenblik brengt nu wat nieuws, dacht Frits. Zoo snel mogelijk kleedde hij zich aan en toen hij beneden aan de onbijttafel kwam, zat daar zijn oom al te wachten niet een bezorgd gelaat.

„Wat is er oom?" vroeg Frits.

„Zie, ik heb dit telegram ontvangen," antwoordde kapitein Boersma, terwijl hij Frits een groen papiertje overreikte.

Frits las: „Hedennacht ingebroken aan boord. Er wordt niets vermist. We liggen nu Prinsenhoofd. Stuurman Boonekamp."

„Wat is dat nu weer?" vroeg Frits verbaasd.

„Ja, dat heb ik me ook al afgevraagd," zeide zijn oom. „Ik begrijp niet wat dit te beteekenen heeft: een inbraak, waarbij niets wordt gestolen. Maar we zullen er straks in Rotterdam wel meer van hooren."

Haastig nuttigden de beiden het een en ander en daarna spoedden ze zich naar het station. Te acht uur kwamen ze te Rotterdam aan. Dadelijk nam •kapitein Boersma, die zich zeer ongerust toonde, een auto en nog vóór half negen waren oom en neef aan boord van de „Holland".

Daar waren de reeder, de eerste machinist, de stuurman, twee rechercheurs en een inspecteur van politie in druk gesprek.

De stuurman vertelde, dat zij den vorigen middag, na kolen te hebben geladen, waren opgestoomd naar

Sluiten