Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 4i —

niet geheel koel. Zij zwaaien hun petten en mutsen naar allen op den wal en hun oogen blijven nog een oogenblik met weemoed rusten op het vaderland, dat zij misschien nimmer meer terug zullen zien.

„De „Holland" stoomde voort, de zee tegemoet. Aan den wal bleven nu en dan menschen staan om het kleine, dappere vaartuig na te oogen.

Bij Vlaardingen tuurden de matroos Gerrit en de stoker Jan naar den wal. „Ik zie ze, daar staan ze!" riep Gerrit.

„Wat is er?" vroeg Sjeffie, die aan het dek was, daar meester Monté op dat oogenblik dienst deed in de machinekamer.

„Wel, daar staan mijn moeder en mijn zusje en Jan zijn moeder," antwoordde Gerrit. „Kijk, ze zien ons, en ze wuiven" en vroolijk wuifden Gerrit en Jan terug.

„Salueer met de vlag!" schreeuwde Sjeffie lachend en"de driekleur groette statig de moeders der Hollandsche zeelui.

Te Maassluis stond aan den wal de vrouw van Leen, den matroos-kok, met een kleinen knaap op den arm en weer werd het een wuiven over en weer en weder werd met de driekleur gegroet.

Frits keek zich de oogen uit. Zijn oom en de stuurman waren op de brug en hij drentelde wat rond over het dek en wuifde mede, zwaaide hoog zijn pet naar de menschen aan wal.

Nu was het ongedroomde werkelijkheid geworden. Nu was hij voor korten tijd zeeman en zou hij een echte zeereis maken naar verre streken, waar geen vacantiereizigers heengaan. Het noordelijkste punt van Europa's vasteland zou hij omvaren om dan

Sluiten