Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-46-

aankleeden, maar toen hij zijn boordje greep, begon kapitein Boersma te lachen.

„Hé, vriend, boordjes zijn op een schip niet noodig. Trek nu maar een van je dikke voetbaltruien aan en daarover je jasje. Dat is meer dan voldoende. Je bent hier niet op de wandelpier te Scheveningen."

Nauwelijks waren zij op de brug of Frits moest aan het stuurrad en spoedig had hij den slag beet. Het was voornamelijk een zaak van opletten. Zoodra het schip uit den koers ging, moest je het met enkele bewegingen van het stuurrad er in terugbrengen en je had de spaken slechts te draaien in de richting, waarheen je het schip wilde brengen. Alleen moest je niet te veel aan het stuurrad draaien, want het schip luisterde heel goed naar het roer, al duurde het soms een oogenblik, eer je de beweging van het vaartuig kon waarnemen. Trouwens, of hét schip eenigszins van richting veranderde, kon je alleen zien aan het kompas, want iets anders om er staat op te maken, was er in deze eenzaamheid van lucht en water niet.

Intusschen was de wind sedert den vorigen avond meer "komen opzetten en er stond een stevige bries, zoodat de zee zeer bewogen was. Frits was er echter al een weinig aan gewend geraakt en bovendien gaf zijn arbeid hem afleiding.

„Als je maar werk hebt, dan merk je minder van de zeeziekte;" zeide zijn oom telkens, „daarom zijn de passagiers op een schip altijd zoo ziek: ze hebben te weinig of niets te doen."

Zoo stond Frits nu aan het roer, maar tegelijk keek hij nu en dan ook uit over de zee, evenals de anderen zoekend naar de periscopen van duikbooten en naar torpedojagers en andere oorlogsbodems. Soms, als er

Sluiten