Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 49 —

Toen was er een oogenblik van stilte op zee.

Zacht slechts wiegelde de boot en de wind zweeg even. In dien tijd hoorden allen aan boord klaar en duidelijk het stampen der machine en toen.... toen brak het los.

Met woedend geweld stormden de golven af op de kleine „Holland" en de wind hief een duivelsch gezang aan.

Nu kwam de eerste aanval: met feilen slag sloeg een machtige golf tegen den boeg, het water overspoelde heel het dek, de wind floot gierend en de „Holland" schudde, als rillend van angst.

Allen wisten het nu aan boord, al sprak niemand het uit: dat was de storm.

De storm.... over het schip floot hij, om het schip gierde hij, onder het schip woedde hij. Hij raasde om dat kleine wereldje van de „Holland" als een meedoogenlooze vijand.

Frits stond op de brug en hield zich stevig vast. Zijn oom keek hem eens aan, maar Frits toonde geen angst. „Dat wordt een strijd op leven en dood," zeide kapitein Boersma en Frits knikte, ten teeken, dat hij het begreep. .

Ja, hij begreep het. Dien nacht zou het een uiterste worstehng worden met de machten om het kleine scheepje.

De stuurman en de matroos Leen waren afgelost en de kapitein en de matroos Gerrit stonden op de brug en bij hen was Frits.

Gerrit hield nu het stuurrad en ook zijn gelaat was diep ernstig.

Golven stortten zich op de kleine „Holland" en sloegen op tot het stuurhuis. In de dichte duisternis

DE SCHIPBREUK VAN DE HOLLAND,

4

Sluiten