Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 53 —

chinekamer gemeld en later: „Het water zakt iets".

W aar dit water beneden vandaan kwam ? Was er een lek ? Het was op dat oogenblik niet te onderzoeken. In elk geval, dit had de machinist dadelijk onderzocht, door de buitenboordskranen kwam het niet.

De storm was begonnen uit het zuidwesten, maar liep nu om naar het westen en de zeeën sloegen nu aan bakboord in op de „Holland" en overstroomden het kleine vaartuig telkens geheel.

Nog ongeveer zes-en-dertig uur stoomen, scheidde de „Holland" van de naastbij zijnde haven, die men aan wilde doen: Skudesnes.

Maar zou men die kunnen bereiken ? Zou vóór dien tijd de strijd tegen het machtige natuurgeweld niet beslist zijn ten nadeele van het kleine vaartuig?

De nieuwe dag brak aan, maar het koudwitte, harde licht van dien stormmorgen leek meedoogenloozer nog dan de nacht. Er was niets troostends in dien nieuwen, killen glans, die ver weg het leger van golven deed zien.

Grauwe wolken drevén snel voort en slechts nu en dan was er even een straal van zonnelicht. De zee was verlaten, geen schip te zien.

Toen scheen de wind iets te bedaren. Minder angstwekkend floot hij, maar heftig bleven de golven.

In de machinekamer was het water sterk gedaald en de eene stoompomp kon het nu bijhouden. Kapitein Boersma gaf een deel der uitgeputte bemanning verlof te gaan slapen, maar hij zelf bleef op de brug, als kende hij geen vermoeienis.

Inderdaad, de storm verminderde. Het ergste scheen geleden.

Nauwkeurig werd nog eens gezocht naar het lek,

Sluiten