Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 79 —

door weer en wind diep gegroefd gelaat. Een uur na de eerste ontmoeting stond hij met zijn weinige reisgoed aan boord om de honderden mijlen lange reis aan te vangen.

Toen de „Holland" de haven weer uitvoer, merkte Frits, hoe op enkele bergtoppen, ver boven de wateroppervlakte, geschut was opgesteld en juist had hij dit gezien of daar donderde een kanonschot en tegelijk kwam een stoomschip op hen toevaren.

Het was een Noorsche mijnenopruimer en op het dek stonden Noorsche oorlogsmatrozen.

De „Holland" stopte, maar na een kort gesprek tusschen den Noorschen commandant en den loods werd vergunning gegeven verder te varen.

„Dat is nu de tweede maal al, dat er op ons geschoten wordt," zeide meester Monté lachend, „maar gelukkig is het tot nu toe altijd maar 'mét los kruit."

Spoedig na het vertrek van Bergen viel de avond en er begon een tocht door de fjorden, zooals geen enkel toeristenschip maakt; een tocht, die, alleen mogelijk is voor kleine vaartuigen als de „Holland". Soms was de doorgang tusschen de hooge bergwanden angstwekkend nauw en dan weer verbreedde het water zich als een meer; een enkele maal scheen het wel of het schip was opgesloten tusschen de enorme berggevaarten, maar dan, wat verder, lieten de groote steenklompen nog een smallen doorgang. De maan, die dag noch nacht meer onder de kim zonk, tooverdé een zilveren baan op het water, wierp sombere schaduwen en glanzende lichtplekken en over heel dit landschap lag haar licht als een ragfijne sluier. De bergen schenen nu en dan reusachtige voorwereldlijke

Sluiten