Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Soms ook, als de voet der bergen door wat arme weiden gekleurd werd, lagen daar enkele houten huisjes neergestrooid, nietig en vereenzaamd, de meeste geverfd in helle kleuren. Langs een wegje draafde een paardje, met achter zich een „Stolkjoerre" (een Noorsche stoelkar, die het meest doet denken aan een leuningstoel op twee wielen).

Maar ook was er wel eens een eenzaam huisje, als een uitgestootene, alleen nabij het water, te midden van grauwe gesteenten, zonder den troost van wat plantengroei.

Frits vroeg zich af hoe de menschen daar wel leven moeten, 's winters en 's zomers, met niets om zich heen dan die woestheid.

En al die menschenwoningen en al wat door menschenhanden gemaakt was, leek ongelooflijk klein, speelgoed van peuters, van dwergen, temidden van die ontzaglijke natuur.

Eén keer, toen zij een fjord invoeren, lag daar aan den voet van een rots een torpedoboot, die bij de nadering van het kleine, vreemde vaartuig de Noorsche vlag heesch, waarop aan den achtersteven van de „Holland" weer de Nederlandsche driekleur werd ontplooid.

Al de pracht en de wonderen, die Frits aanschouwde in het verre land, deden hem echter de mededeehngen van zijn oom over de geheimzinnige poging om de machine van de „Holland" te bederven, niet vergeten.

Zijn oom had hem nu ook verteld van de poging, die te Rotterdam was gedaan om de „Holland" tot zinken te brengen door de buitenboordskranen open te zetten.

Te Rotterdam kon dat gebeurd zijn door een vreem-

83 •

Sluiten