Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 88 —

wandelaars tegemoet en de langzaam vallende avond maakte den aanblik nog naargeestiger.

Beangstigend grootsch was dit natuurtafereel en zoo troosteloos de herfstavond in deze omgeving, dat Frits naar de gezelligheid aan boord begon te verlangen.

Toen zij weer op de „Holland" terug waren, brandden de lampen in de kajuit al en de matroos Leen bracht het eten op: aardappelen met kool en een flinke lap vleesch.

Ze aten met hun vieren: de kapitein, Frits, de eerste machinist en de stuurman, want de tweedemachinist was zoo lang bij de machine gebleven, tot meester Monté gereed zou zijn met zijn maal.

„Ziet u, kappie," zeide meester Monté, „ik heb met den tweeden machinist afgesproken, dat we steeds een van tweeën bij de machine zullen zijn, want zoo* iets als in Mandal moet ons niet weer overkomen. Er moest nog eens een poging worden gedaan om de machine te beschadigen".

De kapitein knikte. Ook hij was nog steeds bezorgd na hetgeen te Mandal gebeurd was en vreesde, dat zich zooiets nog wel eens zou kunnen herhalen.

Vroeg ging Frits dien avond slapen en het was hem vreemd nu het stampen der machine, waaraan hij gewoon was geraakt, niet te hooren. Alleen vernam hij nu het zachte geruisch van het water, dat langs den scheepsromp schuurde.

Sluiten