Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 93 —

zooals in de Noordzee, dan is het al lang goed," luidde het antwoord van Gerrit.

„Ja," voegde Jan de stoker er aan toe, „en het is prettig, zoo allemaal kennissen hier, allemaal uit dezelfde streek, behalve dan die andere stoker, Vincent Nadorst, want dat vinden we maar een rare, hè Gerrit?"

Gerrit knikte eens.

„Hoe dan?" vroeg Frits, die nu zijn ooren spitste, want hij dacht aan de geheimzinnige aanslagen op de „Holland" te Rotterdam en te Mandal.

„Nou ja," ging Jan de stoker verder, „wat zal ik daarvan zeggen? Het is een vreemde. Daar hè je dan om te beginnen die vreemde spraak. Afijn, ieder vogeltje zingt zijn eigen liedje en Nadorst komt uit Limburg, van de Duitsche grens, maar dan ook, hij is altijd zoo geheimzinnig. Wij, zeelui, zijn, als we bij elkaar zijn, altijd vertrouwelijk. We vertellen eens van onze reizen en van onze familie, maar van hem hoor je nou nooit eens wat. Hij is voor ons net zoo vreemd als toen we hem voor het eerst zagen. Het is een rare stoethaspel. En zenuwachtig dat-ie is. Je zou soms denken dat-ie bang was, maar toen met dien storm hield-ie zich toch goed. Maar nou laatst, toen we van Mandal weg gingen, toen dee-die toch zoo zenuwachtig, net of-tie toen vrees had voor zijn hachie of zoo. We hebben het toen nog tegen elkaar gezegd, niet Gerrit?"

Gerrit knikte nog ereens en zeide alleen: „Ja, het is een gekke kerel, waar ik geen wijs uit ken. Maar dom is-t-ie niet, want laatst kwam het zoo eens te praten over machines en hij wist er meer van dan wij, misschien wel net zooveel als de eerste machinist."

Sluiten