Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 99 —

In het westen verhieven de eilanden zich als een aaneengesloten keten. Ontzettend hoog waren de tot bijna aan den voet met sneeuw bedekte bergen, maar deze eilanden beschermden ook de „Holland", want nu was hetwater stiller en de eetlustkwam bij allen terug.

Nu werd het krentenbrood geproefd en het bleek, dat vergeten was zout bij het deeg te voegen en ook was het brood niet voldoende gerezen, zoodat het als een steenklomp in den maag lag.

De matroos Gerrit beweerde, dat men de gist niet dadelijk bij het deeg had moeten voegen, maar eerst een paar uur had moeten laten staan.

Of dit waar was en waarom de matroos Gerrit niet te rechter tijd zijn waarschuwende stem had laten hooren, is voor de opvarenden van de „Holland" steeds een duister punt gebleven, maar er waren er onder hen, die beweerden, dat de matroos Gerrit van brood bakken evenmin iets wist als de anderen, wat niet wegnam, dat het krentenbrood, al lag het een weinig zwaar op de maag, toch werd opgegeten.

Aan geheel den aanbhk van het landschap was httusschen duidelijk te bemerken, dat men steeds noordelijker kwam.

Niet alleen waren de bergen meer met sneeuw bedekt, maar ook waren ze grootscher nog en woester en somberder waren de zwarte dalen.

Hoe men ook met den kijker de kust afzocht, slechts hoogst zelden zag men woningen of een dorpje.

Tegen den avond, toen de zon zonk, werd heel dit woeste, voor een groot deel met sneeuw bedekte berglandschap als een zoo wonderteer kleurenspel, dat Frits, die op de brug van de „Holland" stond, er zijn oogen niet af kon houden.

Sluiten