Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 110 —

machinist, tijdelijk ongevaarlijk was, wat dan ook zijn bedoelingen mochten zijn.

Intusschen was de „Holland" de Solberg-fjord binnengevaren, tusschen het eiland, Senjen en het vasteland.

Daar, op het naar het zuiden toegewende gedeelte van de kust van het eiland, waren zoowaar nog bosschen en zelfs enkele kleine badhuisjes.

Beschermd door de hooge bergen en bestraald door de zon was daar, ook door het water van de fjord, dat den invloed ondergaat van den warmen golfstroom, nog tamelijk rijk plantenleven.

Dicht passeerde de „Holland" het plaatsje Klauven, een visschersplaats, zooals Frits begreep uit het groot getal visschersvaartuigen.

„Wat vangen ze hier nu?" vroeg Frits den loods.

„Hier", vertelde de loods, „vangen ze veel „kveiter", daarvoor is de plaats beroemd".

„Kveiter? Wat is dat voor een visch?"

„Dat is een soort heel groote heilbot. Die hier in de omstreken gevangen wordt, is vaak twee tot drie meter lang. De visch wordt gedroogd en daarna ingezouten en in tonnen verpakt. Een enkele van deze visschen vult soms meer dan een ton".

Frits verbaasde zich weer.

Hij was bijna geen oogenbhk van de brug, vanwaar het uitzicht telkens wisselde.

De bergen stegen hier en daar tot meer dan 1500 M. hoogte en de eenzaamheid werd bijna beangstigend.

Ja, dit was wel het echte Noordland, de Arktische zone, zooals Frits zich die vroeger had voorgesteld. Een enkelen keer ontmoette men een zeilboot, waar-

Sluiten