Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 123 —

de richting van den matroos en den stoker en toen zij bij dezen waren,. vroeg Frits zoo langs zijn neus weg: „Hé, waar is Nadorst gebleven? Is die nu al terug aan boord?"

„O, Nadorst is achter gebleven toen hij een kennis ontmoette," antwoordde Gerrit.

„Een kennis?" vroeg de kapitein. „Heeft hij dan nog kennissen in Tromsö?"

„Nou ja, iemand, dien hij hier in een theehuis heeft ontmoet. Meer weet ik er ook niet van."

„Maar wat spreken ze dan samen? Nadorst kan toch geen Noorsch spreken."

„Ja, dat weet ik ook niet."

Het was weer een vreemd geval.

Toen Frits en zijn oom naar boord terug keerden, zeide Frits eensklaps: „Zie daar eens voor u, oom."

Kapitein Boersma keek in de aangeduide richting en daar liep de stoker Nadorst in- druk gesprek met een heer.

Kapitein Boersma en zijn neef hielden den pas in, om het tweetal in het oog te houden. Ze gingen voor hen uit en liepen, druk pratend, in de richting van het telegraafkantoor, waarin ze verdwenen.

„Wat heeft dit nu te beduiden?" vroeg kapitein Boersma. „Weet je wat Frits? Ga jij ook het telegraafkantoor-binnen en zie eens wat ze er uitvoeren."

Toen Frits het telegraafkantoor binnenstapte, gaf de heer, die Nadorst vergezelde, juist een telegram af aan het loket en Nadorst zelf stond met een telegram in de hand, dat hij, zoodra hij Frits zag, ijlings in een zijner zakken borg. Hij fluisterde zijn begeleider iets in het oor en beiden verheten spoedig het gebouw weder.

Sluiten