Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 127 —

„Holland" ook nog eens wëer in een mijnenzone komen, maar aan deze gevaren werd nauwelijks gedacht. Het einde van de lange reis naderde en dit hield allen bezig.

Men hoopte spoedig door een Russisch oorlogsschip te worden aangehouden en dan met andere schepen ónder transport te worden gesteld. In dat geval zou men volkomen veilig wezen.

In het westen doemde de Noordkaap op, een machtig, zwart gevaarte, dreigend afstekend tégen den somberen hemel.

Eenige honderde meters verheft zij zich boven het water, een woest, onbegroeid rotsblok.

De „Holland" was nu op 71 ° 10' 24" noorderbreedte.

Even later voer men de Nordkyn voorbij, het noordelijkste punt van het Europeesche vasteland, even somber en dreigend als de Noordkaap.

De Noordelijke IJszee ontving de stoere zeelui met een witten groet. Fel kletterde de hagel neder en de wind was koud als ijs.

Frits stond aan het roer, de handen aan het stuurrad, de oogen dan zoekend vooruit, dan weder gevestigd op het kompas, dien kleinen, trouwen wegwijzer in de wijde zeeën.

Intusschen toonde het kompas een zeer sterke afwijking, wat het bepalen van den koers zeer bemoeilijkte, zoodat er gedeeltelijk op gissing moest worden gevaren.

De kapitein begreep er niets van en sprak er over met den stuurman, die echter ook geen verklaring van het vreemde verschijnsel wist te geven. . Op de „Holland" scheen in alle opzichten wel een

Sluiten