Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de warmte van het fornuis hadden de gedrukte stemming een weinig verbeterd.

Daar riep plotseling de matroos van de wacht naar beneden: „AUen de zwemvesten om!"

Dat beteekende oogenbhkkelijk levensgevaar, maar vanwaar dit dreigde, wist niemand van hen, die nog beneden waren.

Frits, die juist was ingedommeld, schrikte wakker en snelde naar boven, evenals de anderen.

Er was niets dan de nacht en de zee en de storm, die huüde en kreunde van woede en smart.

Frits liep naar den voorsteven en daar zag hij het plotseling voor zich: een groot, wit en grijs geverfd zeüschip zonder lichten, dat recht op de„HoUand" aandreef. Alleen uit de kajuit van het vreemde vaartuig schemerde eenig licht: het licht, dat de matrbos van de ankerwacht gezien had.'

Heel dicht bij was het zeilschip, zoodat men, niettegenstaande de duisternis, zijn romp duidelijk kon onderscheiden.

Een botsing was onvermijdelijk.

Het schip, dat alle zeilen gereefd had, was blijkbaar te dicht bij de „Holland" ten anker gegaan en recht dreef het op het kleine stoomscheepje aan.

Kapitein Boersma, die reeds op de brug was en nog wilde trachten het ergste te voorkomen, schreeuwde tot den stuurman, die het stuurrad genomen had: „Stuurboord roer!" en tegelijk beval hij aan de machinekamer: „Langzaam vooruit!"

Maar de botsing was niet meer te ontgaan.

Terwijl Frits zich stevig vasthield, wachtte hij af, wat er gebeuren ging.

Op het dek van het vreemde vaartuig zag hij man-

143

Sluiten