Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telkens weder naderden die lichten de „Holland".

Blijkbaar had zijn anker in den ankerketting van de „Holland" gegrepen en waren de beide vaartuigen daardoor aan elkander verbonden.

Kapitein Boersma ontweek het vreemde schip telkens zooveel mogelijk en het, nog steeds voor anker hggende, opstoomen, zoodat het anker ten slotte achter den achtersteven van de „Holland" lag en het kleine vaartuigje ontzettend gierde. En bij eiken zwaai kwamen enorme zeeën over, die heel den bovenbouw van de „Holland" dreigden te vernielen.

Den ankerketting kappen was uitgesloten daar dan de „Holland" haar laatste anker zou verliezen en weder zee zou moeten kiezen. En dit zou gelijk staan met een zekeren ondergang.

De „Holland" moest blijven waar ze was. Dit scheen de eenige kans op behoud.

Gedurende al deze gebeurtenissen had Frits zich meester gemaakt van een reddingsboei, die hij nu steeds in zijn nabijheid hield.

Mocht hij overboord slaan of mocht het schip zinken dan, daarvan was hij zich echter ten volle bewust, zou de reddingsboei wel niet heel veel baten.

En te vertrouwen op de kleine reddingsboot in dien wilden storm, leek heel en al een dwaasheid.

De „Holland" gierde zoodanig, dat ze telkens dwarszee kwam en dan stormden de golven op haar aan en over haar heen met zoo'n wild geweld, dat ontkomen aan den dood uitgesloten scheen. Donderend klonken de golfslagen tegen den romp van het schip, dat dan overhelde alsof het om zou slaan, maar telkens toch weder hief de kleine, dappere „Holland" zich op.

Een tweede anker moest worden uitgebracht om

DE SCHIPBREUK VAN DE HOLLAND. 10

C45 -

Sluiten