Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150 —

orkaan, zouden de opvarenden van de „Holland" moeten sterven, ver van menschelijke hulp, want het vreemde zeilschip, dat nog steeds in de nabijheid was, kon geen hulp verleenen, was volslagen machteloos, zelf bedreigd met den ondergang als het was.

Weer vernielde een zee een deel van het houtwerk van de brug, waar Frits nog steeds stond met zijn oom en den stuurman.

Toen plotseling, doortrilde het schip een schok, zóó hevig, dat allen zich moesten vastgrijpen om niet te vallen.

Het schip had gestooten. Was het op een zandbank ? Op een rots? Niemand, die het zeggen kon.

Dat echter, in dezen orkaan, beteekende het einde.

„We zijn verloren," schreeuwde kapitein Boersma tot Frits.

„Blijf maar bij mij in de nabijheid."

Frits knikte, ten teeken dat hij zijn oom verstaan had en deze reikte hem de hand als ten afscheid.

Op dit oogenbhk kwam de matroos Gerrit op de brug.

„Nu gaan we, kerel," zeide hij nog steeds kalm en rustig tot Frits. „Wat doe jij?"

„Ik blijf bij mijn oom," antwoordde Frits.

„Ja, dat is wel het beste misschien, zooveel mogelijk bij elkaar blijven", merkte Gerrit op met een stem, waarin geen trilling te bespeuren was. f|v

Maar ze gingen nog niet.

Een volgende zee hief de „Holland" weder op en wierp haar van de khppen of de zandbank, waarop ze gesmeten was en ze dreef verder.

Op het oogenblik dat de „Holland" stootte was het vreemde zeilschip van haar losgeraakt.

Sluiten