Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 158 -

Dus een half uur was om, onder het zeildoek in de koude en het leek of zij er al uren lagen.

„Kom, wie vertelt er nu eens een paar goede moppen? We moeten den moed er in houden," zeide er één en een ander ving aan een grap te vertellen, met een stem, die droog klonk en sidderde.

Toen de grap uit was, had iemand den moed te lachen, maar die lach verstierf dadelijk.

Toen was er weer niets anders dan de duisternis en dé storm.

Minuten vergingen.

„Ik hoor stemmen; ze'komen ons zoeken," beweerde er een.

„Ja, ja, ze komen met lichten. Ik zie licht," klonk een andere stem, doch het bleek alles verbeelding. Wat voor lantaarns van naderende menschen werd aangezien, was slechts de weerkaatsing van het licht der eigen lantaarns op nat wrakhout.

Eenzaam bleven duinen en strand en de uren wilden niet gaan.

O, als de dag nu maar kwam. Die zou wel uitkomst brengen.

Het ergste was de koude aan de door en door natte voeten, die schenen af te sterven.

Toen zagen de schipbreukehngen eensklaps achter de wolken licht glanzen, mat en bleek. Maar het was de dag nog niet, die kwam. Het was het noorderhcht, even schemerend door de dichte wolkendrommen.

De matroos Leen en de stoker Jan gaven er de voorkeur aan langs het strand te loopen in plaats van daar stil te liggen in die felle koude.

Frits volgde hun voorbeeld, maar zijn beenen droegen hem niet meer en hij tuimelde omver.

Sluiten