Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 159 —

Hij stond weer op en na enkele vergeefsche pogingen ging het toch weer, maar de koude, snerpende wind, het opgejaagde zand, de nu en dan neerstriemende hagel, dreven zoowel hem als den stoker en den matroos spoedig terug onder de armelijke beschutting van het zeildoek.

Ontzettend was die nacht, tot de arme ongelukkige schipbreukelingen ten slotte niet meer hoopten nog levend weg te komen daar van die plaats der ellende.

Maar eindehjk toch begon de dag te schemeren en dadelijk kwamen er eenigen op het denkbeeld, eens naar de „Holland" te gaan kijken.

Het schip bleek bijna droog te liggen en daarop werd besloten er nog eens heen te gaan en te redden, wat nog te redden viel.

In de eerste plaats moest er meer mondvoorraad zijn en petroleum om vuur aan te maken.

En weder waadden allen door het water. Ze waren nu toch eenmaal nat. Warmte, wat koestering na al de doorgestane ellende, daaraan hadden ze behoefte.

Enkelen waren vooruit gesneld en toen Frits, na door het water gewaad te zijn, tegen het schip opklom, kronkelde er al rook uit het schoorsteentje van het volkslogies.

De mannen verdrongen zich om het fornuis. Om beurten mochten ze hun voeten eenigen tijd houden in den oven en dat was een onschatbare wjeelde na zoo'n nacht als ze achter den rug hadden.

Intüsschen werd beraadslaagd wat verder te doen.

Ten zuiden van de plek, waar de „Holland" lag, bevond zich, vele kilometers ver, een vuurtoren: de vuurtoren van Kaap Intsy.

Kapitein Boersma zou er in gezelschap van zijn neef

Sluiten