Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— i6o —

heengaan en de scheepspapieren medenemen. Op Kaap Intsy was misschien hulp te krijgen en onderdak.

Inmiddels zouden de anderen het meest noodige van het schip aan wal brengen, maar natuurhjk het vaartuig verlaten als de vloed kwam opzetten. Daarna zouden zij een nachtverblijf opslaan van zeildoek, opdat ze tenminste den volgenden nacht een beter onderdak zouden hebben,dan ze nu gehad hadden.

De matroos Gerrit had zijn zeelaarzen aangetrokken en droeg den kapitein, Frits en den eersten machinist, die bij het fornuis zich een weinig gedroogd hadden, naar het strand.

Meester Monté zou den kapitein en Frits een eindweegs vergezellen.

De marsch begon.

Vóór hen zagen zij het doel: een torentje en een hoog gebouw op een duintop. Hoever het wel zijn zou?

Frits vergeleek den afstand in gedachten met den afstand Scheveningen—Noordwijk en meende, dat het wel vier uur loopen zou zijn.

Intusschen was reeds gebleken, dat ze dien nacht niet op een eiland, maar wel degelijk op het vasteland hadden doorgebracht. De watervlakte, die Frits dien nacht achter de duinenrij had gezien, bleek een meer te zijn.

De marsch langs het strand was moeilijk en zwaar en reeds na een kwartier keerde de eerste machinist naar de anderen terug.

De grond was zand met grint, vol groote steenen en overal langs den duinrand lag wrakhout.

Niets, dat op menschelijk leven duidde, was er te zien.

Sluiten