Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleven stormen op het land, als brieschend van nijd, dat die mannen aan het strand hun ontsnapt waren!

Toen men het huisje in de verte in het gezicht kreeg, bezielde nieuwe moed de schipbreukelingen.

„Hoera! Ons hutje bij de zee!" schreeuwde de stoker Jan.

De afstand viel echter niet mede, maar ten slotte kwamen zij er toch. Toen zij voor het huisje stonden, stuitten zij op dezelfde moeilijkheid, waarvoor kapitein Boersma en Frits hadden gestaan, namehjk hoe de deur te openen.

Sommigen wilden haar eenvoudig open rammen, maar de kapitein meende, dat men dit altijd nog kon doen.

„Een slot is er aan de deur niet," zeide de eerste machinist. „Er is niemand in het huisje en er zal dus wel een middel zijn om de deur van buiten zonder sleutel of iets dergelijks open te krijgen."

„Misschien ook is de deur van binnen met een grendel of zoo iets gesloten," merkte Sjeffie op, „en moet er een van ons door een van de ramen eerst naar binnen klimmen."

Maar het bleek ook onmogelijk een van de ramen te openen en intusschen verlangden allen hoe langer hoe meer naar eenige bescherming tegen den vinnig kouden wind.

Frits stond, afwachtend wat er besloten zou worden, tegen de onwrikbare deur. Toen hij eens toevallig naar boven keek, zag hij daar een touw neerhangen, dat kwam uit een opening in den hutwand boven de deur.

Frits greep het, trok er aan tot het ten slotte mede gaf. Op datzelfde oogenblik zag hij de deur een weinig

166

Sluiten