Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— igö —

van de onze) en daarna ontspon zich tusschen de beiden ëen ,langdurig gesprek.

Nadat de commissaris het onderzoek der papieren ten einde had gebracht, begon hij met aandoenlijke onbevangenheid tot de schipbreukelingen te spreken, natuurlijk in het Russisch, waarvan ze, even natuurlijk, geen woord verstonden. Maar dit scheen den commissaris weinig te deren en de Nederlanders, die plezier in het geval kregen, begonnen Nederlandsch tegen hem te praten. Natuurhjk werden ër door de schipbreukelingen in hun eigen taal nogal eens zotte dingen verteld, maar zij zorgden wel, dat geen lach hun gezicht plooide.

De commissaris zat steeds op heel meewarigen toon te praten, op den toon, dien een kind aanneemt, als het iets treurigs vertelt.

„Wat zou die kerel nu toch zitten beweren," vroeg meester Monté.

„Ik geloof," zeide Frits voor de grap, „dat hij zoo iets vertelt van een klein hondje, dat overreden is door een groote tram."

Ja, zoo'n toon was het wel en telkens kwamen de Nederlanders er op terug tegen den Rus, die er natuurlijk geen woord van verstond.

„Flauw toch hè, zoo'n klein hondje en zoo'n groote tram....", zei meester Monté tot hem, zijn meewarigen toon nadoend en de Rus knikte bevestigend en zeide: „da, da", wat wel „ja, ja" moest beteekenen.

Krampachtige pogingen moesten allen aanwenden om niet in lachen uit te barsten en nu en dan snelde er een naar buiten, omdat hij zich niet langer bedwingen kon.

Maar op een gegeven oogenblik kreeg de commis-

Sluiten