Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 213 —

Allen snelden naar buiten. De commissaris en de gastheer tuurden ook naar het schip.

Nu zou het lang verwachte gebeuren, dat was zeker.

Het schip naderde en naderde. Het hield aan op de kust, dachten de innig verheugde schipbreukelingen, maar het bleek een vergissing.

Het stoomde door en verdween en de zee was weder verlaten als vóór dien tijd.

Deze teleurstelling was ontzettend en zonder een woord tot elkander te zeggen, gingen de schipbreukehngen weder het huis binnen, moedeloos, wanhopig.

Ze wachtten en wachtten en de dag verstreek langzaam, een stille, zonnige vorstdag, over de wijde zee en het witte land.

Die zinkende zon kleurde de sneeuw zacht-róse, toen ze weder rookpluimen zagen opduiken, komende uit het zuiden, de richting van Archangel. En even later zagen ze nog een rookpluim.

Twee stoomschepen naderden en een dezer zou dan toch wel de verlossing brengen. Maar de vele teleurstellingen hadden de schipbreukehngen wantrouwend gemaakt en ze durfden hun steeds groeiende vreugde niet uiten.

Toen de twee vaartuigen nader gekomen waren, meenden de mannen aan den wal in het licht vari de ondergaande zon een groote sleepboot en een kleinen kruiser te herkennen.

De beide schepen stoomden op de kust aan en lieten op een afstand van ruim een mijl het anker vallen, terwijl over de zee langzaam de duisternis neerzeeg.

Ja, dit moest de redding beteekenen. Nu.... nu

Sluiten