Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 219 —

in een logement; de stuurman en Sjeffie deelden samen een kamer in een hotel en Frits moest met zijn oom en meester Monté in een ander hotel op één kamer slapen. De kapitein en de eerste machinist hadden ieder een bed, maar Frits moest zich met een canapé behelpen. Zijn korte loopbaan als zeeman had hem echter al geleerd met weinig tevreden te zijn en hij was al blij een onderdak te hebben.

Zij moesten hun passen afgeven aan den hotelhouder, die ze doorzond aan de politie, want natuurlijk was er in oorlogstijd een streng toezicht op alle aankomende en vertrekkende vreemdelingen om zooveel mogelijk de spïonnage tegen te gaan.

Toen eenmaal al hun goed in het hotel was aangekomen, gingen Frits en zijn oom de stad eens bezichtigen. Meester Monté, die vermoeid was, bleef op de kamer achter.

Het was wel een eigenaardige stad. Ook hier waren verreweg de meeste huizen, ook groote van aanzienlijke ingezetenen, van hout. De straten waren meest ongeplaveid, maar langs de huizen waren houten trottoirs, waarop zich de wandelaars bewogen.

Midden op de straat reden de droschkes, de Russische huurkoetsen, met heel kleine, maar zeer vlugge paardjes; daar ook jachtten tallooze automobielen, meest militaire. Telkens ontmoetten Frits en zijn oom troepen, die blijkbaar van oefeningen terug kwamen en soms ook zagen zij groepen hcht gewonde of van hun wonden reeds herstellende soldaten, die onder leiding van pleegzusters een wandeling maakten.

Die Russische soldaten waren voor het meerendeel stevige, flinke kerels in een grijsbruine, degelijke uniform met half hooge laarzen.

Sluiten