Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17

Marten," zei de boer. „Kom, Wij moeten naar het land. De zon schijnt prachtig, en als het zoo doorgaat, krijgen wij dit jaar best hooi, waar de koeien van den winter in zullen smullen."

Moeder Frjtje zuchtte, en zei:

„Spreek maar niet zoo ver vooruit, man. Wie kan zeggen, wat de toekomst ons brengen zal? De Spaansche soldaten liggen op korten afstand en kunnen ons elk oogenblik overvallen. En wat zal er dan van ons worden?"

„God zal ons helpen, Moeder," zei Floris ernstig, met een blik op de drie vuurroeren, die aan den wand hingen. Zij zullen u en onze kinderen geen leed doen, dan over mijn lijk."

Boer Floris sprak deze woorden met gefronste wenkbrauwen en diepe rimpels in het voorhoofd.

„En als zij komen, zullen ze ook met mij rekening hebben te houden, Moeder," riep Marten met geestdrift uit. „Zij moeten het eens wagen, U of Anna aan te grijpen, — ha, ik jaag ze een kogel door de ribben, of steek ze mijn verrejager door het hart. Ze zouden het een tweeden keer wel laten!"

„Jij bent nog maar een kind, Marten..."

„Een kind?" riep Marten uit. „Maar dan toch een kind, dat zelden mis schiet en voor geen Spanjaard bang is. Bi ben al vijftien jaar, Moeder, en mijn kogels zouden evenzeer doodelijk treffen als die

8

Sluiten