Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27

vlug naar de vuurroeren, die aan den wand hingen.

Maar de Hopman sloeg woedend met zijn vuist op de tafel, zoodat de bekers er van rinkelden, en herhaalde:

„Ga naar je moeder, en laat ze vullen met het beste, wat je in huis hebt. En doe het spoedig, als je niet wilt, dat ik je met mijn rapier tusschen de ribben kittel."

„Ga Marten, en vul de kannen," gebood zijn vader.

„Zooals de oude zingt, zoo piept het jong!" grinnikte de vaandrig zijn Hopman toe. „Wij weten, wat wij weten, en dat is van dezen huisman niet veel goeds."

„Uw spionnen moesten hun werk beter verrichten," antwoordde Floris Geurtsz. „Ik ontken niet, dat van hier menigmaal een roeiboot naar Amsterdam oversteekt, en ik vrees, dat de roeier niet veel goeds in zijn schild voert, maar God is mijn getuige, dat het niet mijn roeiboot is, en dat zij niet bestuurd wordt door mij of door mijn zoon."

„Praatjes om ons om den tuin te leiden, man!" viel de Hopman in. „Maar weet, dat een stuk touw niet duur is en een galg spoedig opgericht. Met verraders maken wij geen complimenten en voor hen bestaat geen pardon. Ha, — daar komt de jongen. Wel, wat breng je mede?"

Sluiten