Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44

kwispelstaartend om de groep heen liep, met welgevallen aan. Want hij hield veel van zijn hond.

„Wij zullen hem voortaan maar los laten loopen, Vader. Dan zijn we voor bezoeken van zulke fraaie gasten gevrijwaard. Zij mochten anders eens komen, als u of ik niet thuis waren, en dan waren zij tot alles in staat!"

„Ik vrees, dat we nu toch nog genoeg van hen te lijden zullen hebben," sprak vrouw Fijtje met een zucht. „Zij zullen de ondergane bejegening niet gemakkelijk vergeten en ze ons nog minder vergeven. Morgen of overmorgen zullen we de onverlaten wel opnieuw zien verschijnen, en mijn hart beeft bij de gedachte, wat er dan al niet gebeuren kan."

„Ja Moeder," sprak boer Floris, „wij beleven bange tijden en hebben bijna, zooals ons thans al weer gebleken is, evenveel te luden van onze vrienden als van onze vijanden. Maar komaan, geen zorgen vóór den tijd. Anna, neem jij de hanen mede naar binnen, dan kan Marten ze vanavond schoonmaken. Nu ze eenmaal toch dood zijn, zullen ze ons morgen een heerlijk middagmaal verschaffen. En Moeder, kop jij de boter nog ? Morgen moet Marten ze wegbrengen naar Jan Gerrits, in de Westzijde. Hij heeft me gevraagd, of ik ze voor hem bewaren wilde, en hem tevens een zestig eieren kon bezorgen". „Moet Marten morgen dus naar Saardam ?" vroeg

Sluiten