Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47

op, om zich naar bed te begeven. Maar de vader weerhield hen, en zeide:

„Blijft nog even, kinderen; ik heb jelui nog wat te zeggen."

Anna en Marten keken hem niet zonder eenige verwondering aan, en waren nieuwsgierig wat dit zijn zou.

De vader stond op en ontsloot een kast. Hij haalde daaruit een kistje te voorschijn, dat hij op de tafel plaatste en opende, 't Bleek een groot aantal zilveren geldstukken te bevatten, die Marten' den uitroep uitlokten:

„Zoo, zoo, Vader, dat ziet er goed uit! Mij dunkt, er zitten daar meer guldens in, dan duiten in mijn schatkist."

„En in de mijne daarbij!" lachte Anna.

Maar de vader lachte niet. Integendeel, zijn gelaat stond hoogst ernstig, toen hij de beide jongelieden aanzag.

„Luistert!" zei hij. „Wij beleven een tijd van beroerten, die maakt, dat wij heden niet weten, of morgen niet reeds de vijand onze woning binnenvalt en alles rooft en plundert, wat hij krijgen kan. Wij hebben een gedeelte van het geld, dat je hier voor je ziet, geërfd van onze ouders, en het overige verdiend en overgespaard. Ik acht het in de kast, waarin wij het jaren lang bewaard hebben, niet veilig meer, en ben met Moeder afgesproken, het

Sluiten