Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54

naar Jonkheer van Sonoy, den gouverneur? Dan kwam hun eigen wangedrag aan het licht. Of mij gevangen houden ? Daarvoor hebben zij geen reden. Neen, Moeder, u kan gerust zijn."

„'tls te hopen, Marten. Als Vader nu nog meê ging..."

„Dan was het veel erger," viel Anna in. „Vader is een man, en door een valsche beschuldiging konden zij hem licht in groote moeilijkheden brengen."

„Volkomen waar," sprak de vader, „'tls beter, dat Marten alleen gaat. Ik geloof ook, dat zij hém wel ongemoeid zullen laten, zelfs al zien zij hem."

„Toch wou ik, dat die tocht al achter den rug was," hernam de moeder.

Toen het middagmaal afgeloopen was, bracht Marten den botertijns in het roeibootje, alsmede de mand met eieren, haalde de riemen uit de schuur, en riep luchtig:

„Nu, ik ga. Goeden dag, tot straks. — Dag Moeder, wees maar niet bezorgd. Ik ga met het schuitje en heb dus met den Dam niets te maken. Over enkele uren ben ik weer terug."

De moeder keek hem zuchtend na.

Op het erf gekomen, keek Marten zoekend rond, en riep met luide stem:

„Kom Kees, ga je meê met den baas?"

Maar Kees gaf geen teeken van leven, geheel tegen zijn gewoonte in.

Sluiten