Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

57

hij hem altoos, hing de mand met eieren aan zijn arm, en begaf zich op weg.

Kees sprong hem vroolijk achterna. Het scheiden van zijn afgekloven beentjes had hem nog wel eenigen strijd gekost, maar hij scheen er toch van overtuigd te zijn, dat er eigenlijk niets meer aanzat. Hij' volgde Marten dan ook met groote blijmoedigheid en bleef hem dicht op de hielen.

Marten had weldra den Hoogendijk afgeloopen en was de plaats genaderd, waar de Dam de Oost- met de Westzijde verbindt. Maar daar werd de doortocht hem bemoeilijkt door een grooten oploop van menschen, en hij' zag, hoe een aantal krijgslieden in volle wapenrusting gereed stond om uit te rukken.

Verbaasd vroeg hij aan een van de omstanders, wat er aan de hand was, en niet weinig verwonderd was hn' te vernemen:

„De geuzen gaan ons verlaten, goddank. Hopman Wybe Sjoerds schijnt het hier te vervelend te vinden, omdat er niets te vechten valt, en is van plan naar Alkmaar te gaan. Nu, de kaerels krijgen van mij het heilige kruis na, want 't is een ruw volkje, dat weinig verschil maakt tusschen het mijn en het dijn."

„Gaan zij naar Alkmaar?" vroeg Marten in de grootste verbazing. „En heeft Heer Diederik van Sonoy daartoe bevel gegeven?"

„Wel neen, jongen," zei een ander. „Wybe Sjoerds

Sluiten