Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63

dat het vendel te Alkmaar niet toegelaten wordt."

„Zou ik dus morgen thuis blijven, Vader ?" vroeg Marten, wien het speet, dat het aangename uitstapje hem ontgaan zou.

„Och, mij dunkt, dat is niet noodig. We kunnen morgen zien, hoe de zaken staan, en daarvan ons besluit afhankelijk maken. Als alles rustig blijft, zou ik niet weten, waarom je niet gaan zoudt. —"

Toen de avond gevallen was en de bewoners der hoeve zich ter ruste hadden begeven, stak voor de woning van de weduwe Bleeker een kleine roeiboot van wal, waarin twee personen gezeten waren. Snel, maar zonder meer gedruisch te ver: oorzaken dan beslist noodig was, voer het de Zaan af en stak het IJ dwars over in de richting van Amsterdam. De twee roeiers waren Pieter en Aelbert Bleeker, die zich, beschermd door de duisternis, naar den vijand spoedden, om hun te berichten dat Saardam thans geheel van troepen ontbloot en dus een gemakkelijke prooi geworden was. Met het verradersloon in den zak keerden zij na middernacht terug. Hun riemen gleden bijna onhoorbaar door het water, en schuw keken zü om zich heen, of zij ook gevaar liepen ontdekt te worden. Zij wisten te goed, welk een vreeselijk lot hun dan te wachten stond.

Dien nacht heerschte vreugde bij de aanvoerders van de Spanjaarden. Bossu bevond zich in eigen

Sluiten