Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

Er verstreek echter wel een half uur, eer zijn een enkelen vogel zagen naderen, en Heer Jan begon den moed reeds te verliezen. '

„Zouden we geen ander plaatsje opzoeken ?" fluisterde hij Marten toe. „Ik . zie hier meerkoet noch eendvogel, en het wachten begint mij duchtig te vervelen."

„Ik zou het niet doen, Heer," sprak Marten zacht. „Wij hebben de vogels hier, verjaagd door onze komst, en moeten niet te haastig zijn. Op een andere plaats hebben wij het eerste half uur ook geen kans."

„Dat is waar."

Doodstil bleven zij zitten. De vischjes waren nu al tot op een vrij grooten afstand weggedreven, en Marten haalde de lijn zoo zacht mogelijk wat in. Opeens echter hield hij daarmede op.

„St, — een woerd!" fluisterde hij bijna onhoorbaar, en onbeweeglijk bleef hij zitten. „Ginds, bij het elzenboschje."

nJa, — 'k zie hem," was het antwoord.

De woerd zwom langzaam heen en weder. Telkens stak hü den kop onder water en wipte zich dan voorover, zoodat zijn staart loodrecht omhoog wees.

„'t Is een dikkerd," fluisterde Heer Jan. „Zijn wüfje zal ook wel niet ver uit de buurt zijn."

De jagers verkeerden niet weinig in spanning, en hoopten, dat de vogel de doode vischjes in het

Sluiten