Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

79

van Heer Jan, en dit zag er voor haar zoo verleidelijk uit, dat zij het in den snavel nam en, hoeveel met eenige moeite, doorslikte. Dit geschiedde natuurlijk tot groote pret van Heer Jan Gerritsz, die de lijn nu inpalmde en de eend het droevig lot liet deelen van den woerd.

„Wat een paar mooie vogels, Marten," zei Heer Jan, die met welbehagen de beide eenden bij de pooten pakte, om te voelen, hoe zwaar zij waren. „Kijk eens, — zoo vet als modder!"

„Ja, — 't zijn twee beste," beaamde Marten, die zijn lijn weer voor een nieuwen liefhebber in gereedheid bracht. De reeder volgde dat voorbeeld, en spoedig dreven weer twee vischjes langzaam van het schuitje af.

De jagers bleven voortdurend in spanning, want langzamerhand kwamen er heel wat watervogels in den omtrek rondzwemmen. Mosbruine en blauwzwarte aalschelvers joegen er met schuwe onrust naar hun aas, wit gebleste meerkoeten lieten zich nu hier, dan daar zien, zwart gekuifde zanddrrjvers hieven hun fiere halzen omhoog, om den omtrek te verkennen, en koppels eenden staken de koppen in de diepte, om naar hun prooi te zoeken. Blijkbaar was het schuitje op eene bijzonder gelukkige plaats vastgelegd.

En de jagers kregen een zoo ruimen oogst, dat hij hun stoutste verwachtingen overtrof. Zij vingen

Sluiten