Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

85

„Jullie hoeve was de eerste, die in brand gestoken is, Marten," klonk het zacht terug. „Ik vrees, dat een groote ramp je getroffen heeft. Ga niet naar huis, maar vlucht zoo snel je kunt. De vervloekte Spanjolen ontzien niets en hebben als bare duivels huisgehouden..."

„Maar myn ouders, Willem, zeg me dan toch, waar zij zich bevinden..."

„Arme jongen!" klonk het terug. „Ze zijn vermoord ..."

Een akelige gil klonk over het water, en in vertwijfeling wrong de knaap zich de handen. Maar weer bedwong hy' zich, en vroeg snikkend:

„En Anna, is ook zij — vermoord?"

„Ik heb Anna zien vluchten, het land in, in de richting van Oostzaan, en twee van die duivels achtervolgden haar. Wat er van haar geworden is, weet ik niet... Ook mijn hoeve is in vlammen opgegaan, en slechts door een haastige vlucht hebben wn ons leven kunnen redden. — Wij bezitten niets meer, niets..."

En dreigend de vuisten opheffende naar Saardam, waar de gevloekte Spanjaarden thans den vergaarden buit verdobbelden en verbrasten, riep hn uit:

„Maar wreken zal ik mij op dat gespuis, dat mij tot den bedelstaf heeft gebracht. Ja, bloedig zal ik my wreken!"

De andere mannen balden evenzoo de vuisten,

Sluiten