Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

toen Marten maar steeds roerloos op dezelfde plek bleef zitten, kon hij het niet langer uithouden, en zeide:

„Marten, ik móét vertrekken, hoe graag ik ook bjj je zou willen blijven. Bedenk, dat mijn vrouw en kinderen .thans ook aan de grootste gevaren zijn blootgesteld en behoefte hebben aan mannelijke hulp, — als zij nog leven. — Ga met mjj mede, Marten; hier kun je toch langer niet blijven. Je huis is verbrand en je ouders zijn er niet meer. Kom meê, arme jongen. Mijn huis zal jou huis zijn ..."

Marten liet hem niet uitspreken. Hij stond op, droogde zich de tranen van het gelaat, en zeide met heesche stem:

„U mag niet langer blijven, Heer Jan. Vergeef mij, dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. Uw plicht roept u naar uw huis en naar de uwen. Maar ik ga niet mede. Ik moet mijn ouders begraven en mijn zuster zoeken. Vergeet niet, dat zij thans niemand op de wereld meer heeft dan mij. Wij behooren voortaan bij elkander..."

„Maar de avond valt, Marten, en het wordt reeds duister. Ga met mij mede tot morgen..."

„Neen, Heer, voortaan ben ik een zwerver op Gods aardbodem, en het maakt al weinig verschil, of dat heden begint of morgen. Ga gerust heen, Heer Jan, en bekommer u niet over mij. Ik moet mijn zuster zoeken. Zij heeft mijn hulp noodig."

Hij stak Heer Jan de hand toe, en deze nam haar

Sluiten