Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

„Wie isdaar?"

„Goed volk, Kees, — ik ben Marten Florisz. Doe even open."

Dat geschiedde, en de man, die in de deuropening verscheen, zeide: „Kom binnen, Marten."

„Neen, ik kom niet binnen. Alleen wil ik graag weten, of u mijn zuster misschien gezien heeft. Zjj is het land opgevlucht voor de Spanjaarden, — en ik weet niet, waarheen zij gegaan is."

De man keek hem met innig leedwezen aan, en de vrouw, die evenzoo aan de deur verschenen was, kreeg de tranen in de oogen, toen zij den armen jongen zag. De menschen wisten wel, wat er op de hoeve gebeurd was.

„Wn hebben Anna gezien, Marten," sprak de man. „En zij is Godlof den Spanjaarden ontkomen. Door de breedste slooten vloog zij heen, en dat was haar geluk, want de soldaten met hun stalen wapenrustingen durfden zich in de modderige slooten niet wagen. Zij kwam hier in de grootste ontsteltenis aan, want zij had alles gezien, wat er bij jelui gebeurd was. — Och, zij was zoo bedroefd. .."

Geen wonder, het arme meisje," zei de vrouw schreiend.

„Wij boden haar aan hier te blijven, maar dat durfde ze niet. Zij was zoo angstig en gejaagd, dat zij bfjna niet wist, wat zij deed, en zij vreesde, dat de soldaten over den dijk zouden komen, om haar te halen..."

Sluiten