Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

95

een zoo hevigen slag op den kop gegeven, dat hrj bijna niet meer loopen kon. Toch volgde hij Anna nog, zoo goed en zoo kwaad, als het ging. Hij kroop bijna over den grond, toen hij hier aankwam." „Arme Kees!" mompelde Marten, „Maar hij kwam langzamerhand weer op zijn verhaal," viel de vrouw in. „Hij was half verdoofd geweest van den slag. Anna heeft hem medegenomen in de schuit."

„Aan wie behoorde die?" vroeg Marten. „'k Weet het niet, want ik ken weinig Saardammers, omdat ik hier nog maar zoo korten tijd woon. — Blijf hier van nacht, Marten, Je kunt haar nu toch niet zoeken, 't Wordt nacht."

Maar Marten schudde ontkennend het hoofd, en na een korten groet keerde hij over den dijk terug naar de plaats, waar eenmaal de hoeve züner ouders had gestaan.

Bij het heldere maanlicht zag hij, hoe de Span-jaarden de naaste woning, die van de familie Bleeker, hadden gespaard.

„Het verradersloon," mompelde Marten bitter.

Blijkbaar had hij onder het loopen zijn plan gevormd, want zonder zich een oogenblik te bedenken stapte hij in zijn boot, maakte het touw los, greep de riemen, en roeide het IJ op, in de richting van den Westzaner Overtoom.

Be doode vogels lagen nog op den bodem van

Sluiten