Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

96

het vaartuigje. Hü koos zijn richting naar het Westen, en hield de Noordzijde van het water. Zoodra hij de herberg van Jan Slob genaderd was, bond hij de boot vast, en trad de herberg binnen, die nog niet gesloten was. Er bevond zich geen enkele gast in de gelagkamer, en de kastelein maakte zich biykbaar gereed, om naar bed te gaan. Hij had zyn blauwe slaapmuts ten minste al op, en was reeds half ontkleed.

„Zoo laat in den avond nog volk?" vroeg hij niet zonder eenige verbazing, terwyl hy een brandende kaars omhoog hield, ten einde te kunnen zien, wie er binnengekomen was. „Hé, dat is Marten Florisz zoowaar nog. Wel, ik dacht, dat je de kannen geheel vergeten waart en... Maar jongen, wat zie je er uit? Je bent zoo bleek als een lyk, en je handen beven. Ha, die vervloekte Spekken hebben zeker ..."

„Zy hebben myn ouders vermoord, mijn zuster op de vlucht gejaagd, en onze hoeve verbrand!" sprak Marten kortaf, en opnieuw barstte hy in tranen uit.

„Dat gespuis! Dat addergebroedsel!*' riep Jan Slob uit, terwijl hy bij Marten kwam staan, die op een stoel neergevallen was en zyn tranen den vryen loop het. Slob legde hem de hand op het hoofd. Woorden van troost kon hy niet vinden, en daarom deed hij niet anders dan schelden op de bedryvers van zooveel wreedheid. En ruw als hü was, vloeiden

Sluiten